|
kabinet / kooi / podium
Key Portilla-Kawamura, Oviedo-Madrid-Basel
“Verder, een grote, prachtige tuin, ... ingericht en gekoesterd: in deze tuin moeten kooien worden opgetrokken om alle zeldzame viervoeters en zeldzame vogels in te huisvesten; met twee aangrenzende meren, het ene met zoet water, het andere met zout water, voor de daarin thuishorende vissoorten. En zo hebt u op kleine schaal een model van de universele natuur voor privégebruik.” Francis Bacon
Tijdens de 16e en 17e eeuw maakte de Wunderkammer (rariteitenkabinet) als nieuw tentoonstellingstype furore bij de Europese aristocratie. In het voetspoor van de ‘grote geografische ontdekkingen’ werden curiosa van de plantaardige, dierlijke en minerale wereld en ook door mensen gecreëerde objecten uit de hele wereld zorgvuldig in deze kabinetten geëtaleerd. Meestal waren de Wunderkammern onderverdeeld in twee grote categorieën: naturalia en artificialia. Ze misten de typische encyclopedische en museale geest van de verlichting, en bevredigden veeleer de barokke hang naar het capricieuze, anekdotische en onverwachte. Nadien werden ze geleidelijk aan gesystematiseerd en evolueerden naar tentoonstellingsvormen waarmee we thans erg vertrouwd zijn: de dierentuin, de botanische tuin en het museum. We kunnen daarom redelijkerwijze stellen dat musea en dierentuinen van een gemeenschappelijk genetisch phylum afstammen. De Belgische kunstenaar Wesley Meuris werkt sinds 2005 aan een ambitieus project met de algemene titel Zoological Classification. Het bestaat uit een reeks uiterst verzorgde tekeningen van visionaire architectuur (kooien waarvan er sommige ook echt gebouwd zijn) voor diverse diersoorten (apen, giraffen, rinocerossen, pinguïns, beren...). De potentiële bewoners en hun noden, worden vooraf geanalyseerd in een gedetailleerde overzichtstabel van het dierenrijk, die fungeert als de DNA-code van het project. Dit ingenieuze taxonomische archief knoopt aan bij de traditie van de Wunderkammern. De nadruk ligt hier echter niet langer op een willekeurige opeenvolging van tentoongestelde curiosa, maar op de onderliggende logica die hen classificeert en catalogiseert. Daarom is elke kooi voorzien van een code die verwijst naar de overzichtstabel van het project. Hoewel dat op het eerste gezicht niet zo lijkt, kunnen we daarom zeggen dat dit geen objectgericht, maar een systematisch project is, waarbij het geheel relevanter is dan de individuele afzonderlijke elementen. Daarom zou het verkeerd zijn om Zoological Classification louter als een kunstwerk te beschrijven. Het moet veeleer benaderd worden in termen van een Opus Inconclusus, een open voorstel van een omvattend, nooit te voltooien archief vergelijkbaar met Francis Bacons ‘model of the universal nature’.1 Het is precies de bewust futiele ambitie om het hele dierenrijk te omvatten, die het project een onbeperkt vermogen tot evolueren geeft. De verschillende ontwerpen van kooien die deel uitmaken van de Zoological Classification zijn een synthese van de territoriale maatstaven van elk beschreven dier (habitat/Lebensraum) in een geconcentreerde architectuur (ruimte/Raum). Met andere woorden, ze verruimen het artistieke object tot de schaal van een architecturale constructie. In elk geval overstijgt de kooi de statische kwaliteiten van een loutere object-ruimte en wordt een object-plaats, een bewoonbare constructie, die functioneel is voor een onzichtbare bewoner. Dit functionele vermogen van de ruimte, is al een constante in vroeger werk van Meuris.2 Net als de Wunderkammern, heeft Zoological Classification een collaterale microkosmische en didactische kwaliteit, door wilde, natuurlijke woongebieden uit de hele wereld voor onze ogen te temmen en in een geconcentreerd en bevattelijk formaat onder te brengen. Zijn werk World Enclosure (Graz, 2006), dat bestaat uit negen kooien voor de negen belangrijkste biotopen van de planeet, heeft een paradigmatische titel, zowel wild als gedomesticeerd, zowel wereldomvattend als miniem. De vormen en materialen die Meuris gebruikt voor zijn verschillende kooien zijn synthetisch, gereduceerd tot enkele hygiënische en gemakkelijk herkenbare volumes, texturen en kleuren. De precieze dimensionering van de elementen (hellingen, schuilhoeken, stangen...), geven een realistisch gevoel van de schaal en habitat van het dier in kwestie. De afmetingen van de kooi en de verlichting zijn nauwgezet bestudeerd om te komen tot een behaaglijke en afgeschermde, hoewel totaal blootgestelde en controleerbare atmosfeer. Dergelijke interpretatieve veranderingen zijn symptomatisch voor het abstraheringsproces dat impliciet vervat zit in de vertaling van een natuurlijke habitat naar een artificiële omgeving. Nochtans is de abstraheringsgraad niet zodanig dat de toeschouwer volledig onverschillig blijft voor de identiteit van de potentiële bewoner van de ruimte. Als letters van een gedeconstrueerde natuurlijke grammatica, worden deze parameters (volume, oppervlak, materiaal, water, omheining, licht...) op verschillende manieren opnieuw samengesteld, wat resulteert in nieuwe composities die zowel herkenbaar als vreemd zijn. We zouden kunnen stellen dat Meuris’ overzichtstabel van de Zoological Classification het genotypische model is, waarvan de verschillende kooien de gematerialiseerde fenotypische nakomelingen zijn. Het doel van het project is zeker niet op een wetenschappelijke manier de oorspronkelijke leefwereld van het dier in een kooi te imiteren, noch om op een heterotope manier een dierentuin in een museum na te bootsen, maar wel om de toeschouwer genoeg hints en tips te geven zodat hij van de wijs wordt gebracht door de mise-en-scène. Dergelijke geconstrueerde scenario’s voor bewoning die paradoxaal genoeg de privacy van huiselijk (dieren)leven overleveren aan de openbaarheid van sfeervol [aural – ik weet niet wat de auteur met dit woord bedoelt – aural kan ook: “auditief” zijn, maar dat lijkt me al helemaal bizar] spektakel, herinneren aan een aantal experimenten van Dan Graham met Amerikaanse voorstadshuizen.3 Deze confrontatie tussen twee subjecten (observator en geobserveerde) door middel van architecturale middelen, wordt verzacht door de intrigerende afwezigheid van een van beide partijen, een ambigue, onvoltooide dialectiek. De structuur (kooi) die gewoonlijk het geobserveerde subject (dier) omsluit, wordt in de reeks Zoological Classification door de afwezigheid van het dier, zelf het tentoongestelde object, en het museum is het nieuwe omhulsel, zodat de gangbare presentatie van een traditionele dierentuin wordt doorbroken. Dit aspect wordt nog scherper gesteld in enkele van de meest recente onderdelen van het project (Aquatheatre, 2006). Daarin zijn tribunes voor toeschouwers voorzien, waarmee de verschuiving nog een stapje verder gaat. Kijken we naar een gekooid dier of een gekooid publiek? Kijkt het gekooide publiek naar het dier of kijkt het naar ons, toeschouwers, die gekooid zijn in het museum? Een voyeuristisch panopticum met vele facetten. Jacques Derrida stelde treffend dat er geen archief bestaat zonder vergetelheid.4 De intrigerende (kwellende?) afwezigheid (vergetelheid?) van de hoofdrolspeler in de kooi, die zelfs niet voorgesteld wordt, moedigt ons aan om te speculeren wie de bewoner van een dergelijke eigenaardige structuur zou kunnen zijn. De eenduidige en prescriptieve relatie tussen mens en dier in gevangenschap wordt in Meuris’ project door de afwezigheid van het dier verstoord. We kunnen ons zelfs voorstellen dat we zelf in de kooi plaatsnemen. Iets gelijkaardigs deed Joseph Beuys in 1974, toen hij vijf dagen in het gezelschap van een coyote vertoefde.5
Noten: 1 Francis Bacon, Gesta Grayorum, 1594. |
|
kabinet / kooi / podium
Key Portilla-Kawamura, Oviedo-Madrid-Basel
“Verder, een grote, prachtige tuin, ... ingericht en gekoesterd: in deze tuin moeten kooien worden opgetrokken om alle zeldzame viervoeters en zeldzame vogels in te huisvesten; met twee aangrenzende meren, het ene met zoet water, het andere met zout water, voor de daarin thuishorende vissoorten. En zo hebt u op kleine schaal een model van de universele natuur voor privégebruik.” Francis Bacon
Tijdens de 16e en 17e eeuw maakte de Wunderkammer (rariteitenkabinet) als nieuw tentoonstellingstype furore bij de Europese aristocratie. In het voetspoor van de ‘grote geografische ontdekkingen’ werden curiosa van de plantaardige, dierlijke en minerale wereld en ook door mensen gecreëerde objecten uit de hele wereld zorgvuldig in deze kabinetten geëtaleerd. Meestal waren de Wunderkammern onderverdeeld in twee grote categorieën: naturalia en artificialia. Ze misten de typische encyclopedische en museale geest van de verlichting, en bevredigden veeleer de barokke hang naar het capricieuze, anekdotische en onverwachte. Nadien werden ze geleidelijk aan gesystematiseerd en evolueerden naar tentoonstellingsvormen waarmee we thans erg vertrouwd zijn: de dierentuin, de botanische tuin en het museum. We kunnen daarom redelijkerwijze stellen dat musea en dierentuinen van een gemeenschappelijk genetisch phylum afstammen. De Belgische kunstenaar Wesley Meuris werkt sinds 2005 aan een ambitieus project met de algemene titel Zoological Classification. Het bestaat uit een reeks uiterst verzorgde tekeningen van visionaire architectuur (kooien waarvan er sommige ook echt gebouwd zijn) voor diverse diersoorten (apen, giraffen, rinocerossen, pinguïns, beren...). De potentiële bewoners en hun noden, worden vooraf geanalyseerd in een gedetailleerde overzichtstabel van het dierenrijk, die fungeert als de DNA-code van het project. Dit ingenieuze taxonomische archief knoopt aan bij de traditie van de Wunderkammern. De nadruk ligt hier echter niet langer op een willekeurige opeenvolging van tentoongestelde curiosa, maar op de onderliggende logica die hen classificeert en catalogiseert. Daarom is elke kooi voorzien van een code die verwijst naar de overzichtstabel van het project. Hoewel dat op het eerste gezicht niet zo lijkt, kunnen we daarom zeggen dat dit geen objectgericht, maar een systematisch project is, waarbij het geheel relevanter is dan de individuele afzonderlijke elementen. Daarom zou het verkeerd zijn om Zoological Classification louter als een kunstwerk te beschrijven. Het moet veeleer benaderd worden in termen van een Opus Inconclusus, een open voorstel van een omvattend, nooit te voltooien archief vergelijkbaar met Francis Bacons ‘model of the universal nature’.1 Het is precies de bewust futiele ambitie om het hele dierenrijk te omvatten, die het project een onbeperkt vermogen tot evolueren geeft. De verschillende ontwerpen van kooien die deel uitmaken van de Zoological Classification zijn een synthese van de territoriale maatstaven van elk beschreven dier (habitat/Lebensraum) in een geconcentreerde architectuur (ruimte/Raum). Met andere woorden, ze verruimen het artistieke object tot de schaal van een architecturale constructie. In elk geval overstijgt de kooi de statische kwaliteiten van een loutere object-ruimte en wordt een object-plaats, een bewoonbare constructie, die functioneel is voor een onzichtbare bewoner. Dit functionele vermogen van de ruimte, is al een constante in vroeger werk van Meuris.2 Net als de Wunderkammern, heeft Zoological Classification een collaterale microkosmische en didactische kwaliteit, door wilde, natuurlijke woongebieden uit de hele wereld voor onze ogen te temmen en in een geconcentreerd en bevattelijk formaat onder te brengen. Zijn werk World Enclosure (Graz, 2006), dat bestaat uit negen kooien voor de negen belangrijkste biotopen van de planeet, heeft een paradigmatische titel, zowel wild als gedomesticeerd, zowel wereldomvattend als miniem. De vormen en materialen die Meuris gebruikt voor zijn verschillende kooien zijn synthetisch, gereduceerd tot enkele hygiënische en gemakkelijk herkenbare volumes, texturen en kleuren. De precieze dimensionering van de elementen (hellingen, schuilhoeken, stangen...), geven een realistisch gevoel van de schaal en habitat van het dier in kwestie. De afmetingen van de kooi en de verlichting zijn nauwgezet bestudeerd om te komen tot een behaaglijke en afgeschermde, hoewel totaal blootgestelde en controleerbare atmosfeer. Dergelijke interpretatieve veranderingen zijn symptomatisch voor het abstraheringsproces dat impliciet vervat zit in de vertaling van een natuurlijke habitat naar een artificiële omgeving. Nochtans is de abstraheringsgraad niet zodanig dat de toeschouwer volledig onverschillig blijft voor de identiteit van de potentiële bewoner van de ruimte. Als letters van een gedeconstrueerde natuurlijke grammatica, worden deze parameters (volume, oppervlak, materiaal, water, omheining, licht...) op verschillende manieren opnieuw samengesteld, wat resulteert in nieuwe composities die zowel herkenbaar als vreemd zijn. We zouden kunnen stellen dat Meuris’ overzichtstabel van de Zoological Classification het genotypische model is, waarvan de verschillende kooien de gematerialiseerde fenotypische nakomelingen zijn. Het doel van het project is zeker niet op een wetenschappelijke manier de oorspronkelijke leefwereld van het dier in een kooi te imiteren, noch om op een heterotope manier een dierentuin in een museum na te bootsen, maar wel om de toeschouwer genoeg hints en tips te geven zodat hij van de wijs wordt gebracht door de mise-en-scène. Dergelijke geconstrueerde scenario’s voor bewoning die paradoxaal genoeg de privacy van huiselijk (dieren)leven overleveren aan de openbaarheid van sfeervol [aural – ik weet niet wat de auteur met dit woord bedoelt – aural kan ook: “auditief” zijn, maar dat lijkt me al helemaal bizar] spektakel, herinneren aan een aantal experimenten van Dan Graham met Amerikaanse voorstadshuizen.3 Deze confrontatie tussen twee subjecten (observator en geobserveerde) door middel van architecturale middelen, wordt verzacht door de intrigerende afwezigheid van een van beide partijen, een ambigue, onvoltooide dialectiek. De structuur (kooi) die gewoonlijk het geobserveerde subject (dier) omsluit, wordt in de reeks Zoological Classification door de afwezigheid van het dier, zelf het tentoongestelde object, en het museum is het nieuwe omhulsel, zodat de gangbare presentatie van een traditionele dierentuin wordt doorbroken. Dit aspect wordt nog scherper gesteld in enkele van de meest recente onderdelen van het project (Aquatheatre, 2006). Daarin zijn tribunes voor toeschouwers voorzien, waarmee de verschuiving nog een stapje verder gaat. Kijken we naar een gekooid dier of een gekooid publiek? Kijkt het gekooide publiek naar het dier of kijkt het naar ons, toeschouwers, die gekooid zijn in het museum? Een voyeuristisch panopticum met vele facetten. Jacques Derrida stelde treffend dat er geen archief bestaat zonder vergetelheid.4 De intrigerende (kwellende?) afwezigheid (vergetelheid?) van de hoofdrolspeler in de kooi, die zelfs niet voorgesteld wordt, moedigt ons aan om te speculeren wie de bewoner van een dergelijke eigenaardige structuur zou kunnen zijn. De eenduidige en prescriptieve relatie tussen mens en dier in gevangenschap wordt in Meuris’ project door de afwezigheid van het dier verstoord. We kunnen ons zelfs voorstellen dat we zelf in de kooi plaatsnemen. Iets gelijkaardigs deed Joseph Beuys in 1974, toen hij vijf dagen in het gezelschap van een coyote vertoefde.5
Noten: 1 Francis Bacon, Gesta Grayorum, 1594. |
|
kabinet / kooi / podium
Key Portilla-Kawamura, Oviedo-Madrid-Basel
“Verder, een grote, prachtige tuin, ... ingericht en gekoesterd: in deze tuin moeten kooien worden opgetrokken om alle zeldzame viervoeters en zeldzame vogels in te huisvesten; met twee aangrenzende meren, het ene met zoet water, het andere met zout water, voor de daarin thuishorende vissoorten. En zo hebt u op kleine schaal een model van de universele natuur voor privégebruik.” Francis Bacon
Tijdens de 16e en 17e eeuw maakte de Wunderkammer (rariteitenkabinet) als nieuw tentoonstellingstype furore bij de Europese aristocratie. In het voetspoor van de ‘grote geografische ontdekkingen’ werden curiosa van de plantaardige, dierlijke en minerale wereld en ook door mensen gecreëerde objecten uit de hele wereld zorgvuldig in deze kabinetten geëtaleerd. Meestal waren de Wunderkammern onderverdeeld in twee grote categorieën: naturalia en artificialia. Ze misten de typische encyclopedische en museale geest van de verlichting, en bevredigden veeleer de barokke hang naar het capricieuze, anekdotische en onverwachte. Nadien werden ze geleidelijk aan gesystematiseerd en evolueerden naar tentoonstellingsvormen waarmee we thans erg vertrouwd zijn: de dierentuin, de botanische tuin en het museum. We kunnen daarom redelijkerwijze stellen dat musea en dierentuinen van een gemeenschappelijk genetisch phylum afstammen. De Belgische kunstenaar Wesley Meuris werkt sinds 2005 aan een ambitieus project met de algemene titel Zoological Classification. Het bestaat uit een reeks uiterst verzorgde tekeningen van visionaire architectuur (kooien waarvan er sommige ook echt gebouwd zijn) voor diverse diersoorten (apen, giraffen, rinocerossen, pinguïns, beren...). De potentiële bewoners en hun noden, worden vooraf geanalyseerd in een gedetailleerde overzichtstabel van het dierenrijk, die fungeert als de DNA-code van het project. Dit ingenieuze taxonomische archief knoopt aan bij de traditie van de Wunderkammern. De nadruk ligt hier echter niet langer op een willekeurige opeenvolging van tentoongestelde curiosa, maar op de onderliggende logica die hen classificeert en catalogiseert. Daarom is elke kooi voorzien van een code die verwijst naar de overzichtstabel van het project. Hoewel dat op het eerste gezicht niet zo lijkt, kunnen we daarom zeggen dat dit geen objectgericht, maar een systematisch project is, waarbij het geheel relevanter is dan de individuele afzonderlijke elementen. Daarom zou het verkeerd zijn om Zoological Classification louter als een kunstwerk te beschrijven. Het moet veeleer benaderd worden in termen van een Opus Inconclusus, een open voorstel van een omvattend, nooit te voltooien archief vergelijkbaar met Francis Bacons ‘model of the universal nature’.1 Het is precies de bewust futiele ambitie om het hele dierenrijk te omvatten, die het project een onbeperkt vermogen tot evolueren geeft. De verschillende ontwerpen van kooien die deel uitmaken van de Zoological Classification zijn een synthese van de territoriale maatstaven van elk beschreven dier (habitat/Lebensraum) in een geconcentreerde architectuur (ruimte/Raum). Met andere woorden, ze verruimen het artistieke object tot de schaal van een architecturale constructie. In elk geval overstijgt de kooi de statische kwaliteiten van een loutere object-ruimte en wordt een object-plaats, een bewoonbare constructie, die functioneel is voor een onzichtbare bewoner. Dit functionele vermogen van de ruimte, is al een constante in vroeger werk van Meuris.2 Net als de Wunderkammern, heeft Zoological Classification een collaterale microkosmische en didactische kwaliteit, door wilde, natuurlijke woongebieden uit de hele wereld voor onze ogen te temmen en in een geconcentreerd en bevattelijk formaat onder te brengen. Zijn werk World Enclosure (Graz, 2006), dat bestaat uit negen kooien voor de negen belangrijkste biotopen van de planeet, heeft een paradigmatische titel, zowel wild als gedomesticeerd, zowel wereldomvattend als miniem. De vormen en materialen die Meuris gebruikt voor zijn verschillende kooien zijn synthetisch, gereduceerd tot enkele hygiënische en gemakkelijk herkenbare volumes, texturen en kleuren. De precieze dimensionering van de elementen (hellingen, schuilhoeken, stangen...), geven een realistisch gevoel van de schaal en habitat van het dier in kwestie. De afmetingen van de kooi en de verlichting zijn nauwgezet bestudeerd om te komen tot een behaaglijke en afgeschermde, hoewel totaal blootgestelde en controleerbare atmosfeer. Dergelijke interpretatieve veranderingen zijn symptomatisch voor het abstraheringsproces dat impliciet vervat zit in de vertaling van een natuurlijke habitat naar een artificiële omgeving. Nochtans is de abstraheringsgraad niet zodanig dat de toeschouwer volledig onverschillig blijft voor de identiteit van de potentiële bewoner van de ruimte. Als letters van een gedeconstrueerde natuurlijke grammatica, worden deze parameters (volume, oppervlak, materiaal, water, omheining, licht...) op verschillende manieren opnieuw samengesteld, wat resulteert in nieuwe composities die zowel herkenbaar als vreemd zijn. We zouden kunnen stellen dat Meuris’ overzichtstabel van de Zoological Classification het genotypische model is, waarvan de verschillende kooien de gematerialiseerde fenotypische nakomelingen zijn. Het doel van het project is zeker niet op een wetenschappelijke manier de oorspronkelijke leefwereld van het dier in een kooi te imiteren, noch om op een heterotope manier een dierentuin in een museum na te bootsen, maar wel om de toeschouwer genoeg hints en tips te geven zodat hij van de wijs wordt gebracht door de mise-en-scène. Dergelijke geconstrueerde scenario’s voor bewoning die paradoxaal genoeg de privacy van huiselijk (dieren)leven overleveren aan de openbaarheid van sfeervol [aural – ik weet niet wat de auteur met dit woord bedoelt – aural kan ook: “auditief” zijn, maar dat lijkt me al helemaal bizar] spektakel, herinneren aan een aantal experimenten van Dan Graham met Amerikaanse voorstadshuizen.3 Deze confrontatie tussen twee subjecten (observator en geobserveerde) door middel van architecturale middelen, wordt verzacht door de intrigerende afwezigheid van een van beide partijen, een ambigue, onvoltooide dialectiek. De structuur (kooi) die gewoonlijk het geobserveerde subject (dier) omsluit, wordt in de reeks Zoological Classification door de afwezigheid van het dier, zelf het tentoongestelde object, en het museum is het nieuwe omhulsel, zodat de gangbare presentatie van een traditionele dierentuin wordt doorbroken. Dit aspect wordt nog scherper gesteld in enkele van de meest recente onderdelen van het project (Aquatheatre, 2006). Daarin zijn tribunes voor toeschouwers voorzien, waarmee de verschuiving nog een stapje verder gaat. Kijken we naar een gekooid dier of een gekooid publiek? Kijkt het gekooide publiek naar het dier of kijkt het naar ons, toeschouwers, die gekooid zijn in het museum? Een voyeuristisch panopticum met vele facetten. Jacques Derrida stelde treffend dat er geen archief bestaat zonder vergetelheid.4 De intrigerende (kwellende?) afwezigheid (vergetelheid?) van de hoofdrolspeler in de kooi, die zelfs niet voorgesteld wordt, moedigt ons aan om te speculeren wie de bewoner van een dergelijke eigenaardige structuur zou kunnen zijn. De eenduidige en prescriptieve relatie tussen mens en dier in gevangenschap wordt in Meuris’ project door de afwezigheid van het dier verstoord. We kunnen ons zelfs voorstellen dat we zelf in de kooi plaatsnemen. Iets gelijkaardigs deed Joseph Beuys in 1974, toen hij vijf dagen in het gezelschap van een coyote vertoefde.5
Noten: 1 Francis Bacon, Gesta Grayorum, 1594. |