|
De zoölogische utopie van Wesley Meuris
Herman Parret
Eerst, bij Wesley Meuris, is er de interesse voor het bouwsel met de volmaakte materialen, de koele tegels, het kwaliteitshout, het transparantreflecterend glas. Meuris hanteert en cultiveert in zijn installaties alle elementaire architecturale principes. Een en ander kenden we al van zijn vroegere werk. Sinds 1999 polijst Wesley Meuris op een bijzonder consistente wijze zijn kunstenaarsprofiel. Zijn installaties bieden de artistieke transpositie van zoiets als een “historisch-sociale architectuur”. Van de urinoir (NICC, Antwerpen) of de latrine (Ename Actueel) tot de zwemkom (Eclips, Willebroek), steeds gaat het om de architecturale esthetisering van de alledaagse ervaring van het banale, om een recontextualisering van primair vitale behoeften door een berekenende en formaliserende verbeeldingskracht. Ook in Damn’art ’04, de parcourstentoonstelling in Damme in 2004, was een representatief werk van Meuris te zien, zeer illustratief met de grondidee van zijn kunst. “Aanleiding” waren de “ruïnes” van het vroegere haventje van Damme, een zogenaamd archeologisch monument, waaraan Meuris zijn artistieke “prothese” toevoegde: ook hier werden betegelde panelen aangebracht, in volle artificialiteit, retorisch en esthetiserend (lichtgrijze tegeloppervlakken, perfect en koel-aantrekkelijk). * Men zou kunnen stellen dat het in het project van Meuris in feite gaat om de leefbaarheid en het overleven van dieren: de kangoeroe of de okapi, die het leven moeten slijten in gevangenschap, al is het in een artificiële luxekooi, wordt zodoende alle geluk toegewenst. De (morele) last ligt bij de interagerende mens, de zoöloog, de bouwheer, de toeschouwer. Identificeren, nummeren, coderen, klasseren en dan zo mooi mogelijk bouwen, dit is wat de mensheid aan het dierenrijk moet. Merkwaardig toch is dat de bouwsels van Meuris, naar zijn zeggen, niet echt het dierenbelang dienen, maar vooral het “belang” van de toeschouwer. Hier raken we de essentie van Meuris’ concept. Dit is kunst die de verhouding van het kunstwerk met de deelnemende toeschouwer betreft. Wat betekent hier dan het “belang” van de toeschouwer? Zijn veiligheid? Er zullen nooit happende leeuwen zijn of wurgende boa’s in het virtuele dierenpark van Wesley Meuris. Het gaat veeleer om het intellectueel “belang” van de toeschouwer, zijn cognitieve opwinding, het genot van de classifiërende meditatie en van de identificerende controle. Meuris mikt inderdaad op de visuele aandacht van de toeschouwer maar dit is dan een visualiteit die intens intellectueel is, cerebraal zelfs. |
|
De zoölogische utopie van Wesley Meuris
Herman Parret
Eerst, bij Wesley Meuris, is er de interesse voor het bouwsel met de volmaakte materialen, de koele tegels, het kwaliteitshout, het transparantreflecterend glas. Meuris hanteert en cultiveert in zijn installaties alle elementaire architecturale principes. Een en ander kenden we al van zijn vroegere werk. Sinds 1999 polijst Wesley Meuris op een bijzonder consistente wijze zijn kunstenaarsprofiel. Zijn installaties bieden de artistieke transpositie van zoiets als een “historisch-sociale architectuur”. Van de urinoir (NICC, Antwerpen) of de latrine (Ename Actueel) tot de zwemkom (Eclips, Willebroek), steeds gaat het om de architecturale esthetisering van de alledaagse ervaring van het banale, om een recontextualisering van primair vitale behoeften door een berekenende en formaliserende verbeeldingskracht. Ook in Damn’art ’04, de parcourstentoonstelling in Damme in 2004, was een representatief werk van Meuris te zien, zeer illustratief met de grondidee van zijn kunst. “Aanleiding” waren de “ruïnes” van het vroegere haventje van Damme, een zogenaamd archeologisch monument, waaraan Meuris zijn artistieke “prothese” toevoegde: ook hier werden betegelde panelen aangebracht, in volle artificialiteit, retorisch en esthetiserend (lichtgrijze tegeloppervlakken, perfect en koel-aantrekkelijk). * Men zou kunnen stellen dat het in het project van Meuris in feite gaat om de leefbaarheid en het overleven van dieren: de kangoeroe of de okapi, die het leven moeten slijten in gevangenschap, al is het in een artificiële luxekooi, wordt zodoende alle geluk toegewenst. De (morele) last ligt bij de interagerende mens, de zoöloog, de bouwheer, de toeschouwer. Identificeren, nummeren, coderen, klasseren en dan zo mooi mogelijk bouwen, dit is wat de mensheid aan het dierenrijk moet. Merkwaardig toch is dat de bouwsels van Meuris, naar zijn zeggen, niet echt het dierenbelang dienen, maar vooral het “belang” van de toeschouwer. Hier raken we de essentie van Meuris’ concept. Dit is kunst die de verhouding van het kunstwerk met de deelnemende toeschouwer betreft. Wat betekent hier dan het “belang” van de toeschouwer? Zijn veiligheid? Er zullen nooit happende leeuwen zijn of wurgende boa’s in het virtuele dierenpark van Wesley Meuris. Het gaat veeleer om het intellectueel “belang” van de toeschouwer, zijn cognitieve opwinding, het genot van de classifiërende meditatie en van de identificerende controle. Meuris mikt inderdaad op de visuele aandacht van de toeschouwer maar dit is dan een visualiteit die intens intellectueel is, cerebraal zelfs. |
|
De zoölogische utopie van Wesley Meuris
Herman Parret
Eerst, bij Wesley Meuris, is er de interesse voor het bouwsel met de volmaakte materialen, de koele tegels, het kwaliteitshout, het transparantreflecterend glas. Meuris hanteert en cultiveert in zijn installaties alle elementaire architecturale principes. Een en ander kenden we al van zijn vroegere werk. Sinds 1999 polijst Wesley Meuris op een bijzonder consistente wijze zijn kunstenaarsprofiel. Zijn installaties bieden de artistieke transpositie van zoiets als een “historisch-sociale architectuur”. Van de urinoir (NICC, Antwerpen) of de latrine (Ename Actueel) tot de zwemkom (Eclips, Willebroek), steeds gaat het om de architecturale esthetisering van de alledaagse ervaring van het banale, om een recontextualisering van primair vitale behoeften door een berekenende en formaliserende verbeeldingskracht. Ook in Damn’art ’04, de parcourstentoonstelling in Damme in 2004, was een representatief werk van Meuris te zien, zeer illustratief met de grondidee van zijn kunst. “Aanleiding” waren de “ruïnes” van het vroegere haventje van Damme, een zogenaamd archeologisch monument, waaraan Meuris zijn artistieke “prothese” toevoegde: ook hier werden betegelde panelen aangebracht, in volle artificialiteit, retorisch en esthetiserend (lichtgrijze tegeloppervlakken, perfect en koel-aantrekkelijk). * Men zou kunnen stellen dat het in het project van Meuris in feite gaat om de leefbaarheid en het overleven van dieren: de kangoeroe of de okapi, die het leven moeten slijten in gevangenschap, al is het in een artificiële luxekooi, wordt zodoende alle geluk toegewenst. De (morele) last ligt bij de interagerende mens, de zoöloog, de bouwheer, de toeschouwer. Identificeren, nummeren, coderen, klasseren en dan zo mooi mogelijk bouwen, dit is wat de mensheid aan het dierenrijk moet. Merkwaardig toch is dat de bouwsels van Meuris, naar zijn zeggen, niet echt het dierenbelang dienen, maar vooral het “belang” van de toeschouwer. Hier raken we de essentie van Meuris’ concept. Dit is kunst die de verhouding van het kunstwerk met de deelnemende toeschouwer betreft. Wat betekent hier dan het “belang” van de toeschouwer? Zijn veiligheid? Er zullen nooit happende leeuwen zijn of wurgende boa’s in het virtuele dierenpark van Wesley Meuris. Het gaat veeleer om het intellectueel “belang” van de toeschouwer, zijn cognitieve opwinding, het genot van de classifiërende meditatie en van de identificerende controle. Meuris mikt inderdaad op de visuele aandacht van de toeschouwer maar dit is dan een visualiteit die intens intellectueel is, cerebraal zelfs. |